hutspot

[..]

Hutjes maken is net als knikkeren: Er zijn er maar weinig die het niet gedaan hebben. En op een gegeven moment stopt het. Of krijgt het in ieder geval een andere vorm.

In mijn vroegste herinneringen hierover maken nicht Naomi en ik een hut op hun zolder. Mijn oom en tante woonden nog aan De Houtsnip. De hut bestond uit krukken met poten van chroom en felrode zittingen. We spanden daar een laken overheen, en dat was het. We waren op een leeftijd dat we alleen maar bezig waren met 'in de hut' en 'uit de hut'. In de hut was niets. Het diende voor zover ik kan overzien voor niets anders dan het bevredigen van de (denk ik) aangeboren behoefte om een hutje te maken.

Later bouwde ik hutten in het bos. Dat waren hutten waaraan ik lang kon werken. Soms met vrienden, maar vaak ook alleen. Als ik na het bouwen er de volgende dag weer kwam om te spelen, dan waren ze meestal weer gesloopt. De onderdelen waren dan alweer verwerkt in grotere hutten van grotere jongens die langer mochten opblijven. Dat was niet te winnen, en al snel was de lol er voor mij af.

De beste herinneringen bewaar ik aan de hutten die ik in huis gemaakt heb: Boven op zolder achter de gordijnen die de lage kanten van het puntdak maakte tot opslagplaats van vanalles en nog veel meer. De kussens van de caravan lagen daar ook. Er was altijd een klein kussentje bij, een armleuning, dat ik gebruikte als tafel. De ingang van de hut was altijd geheim. In het hutje lagen oude studieboeken en schriften van mijn vader. Zodra ik kon lezen maakte mijn fantasie dat het allemaal heel belangrijke geschriften waren, plaats voor het besef dat dit -op z'n zachtst gezegd- niet zo was. Langzaam maar zeker maakten 'de dingen van de grote mensen' plaats voor mijn eigen dingen. Een handeling die ik, welbeschouwd, nog steeds af en toe herhaal.

Toen mijn slaapkamer naar zolder verhuisde begon ik mijn kamer als een soort hut te zien. Ik had er een houten wand opgetrokken die het slaapgedeelte met wastafel scheidde van de rest van de kamer. Mijn kamer werd mijn kasteel, en de muren van mijn oude hut werden gedegradeerd tot kussens van de caravan. Ik herinner me nog goed dat ik in die tijd regelmatig blijheid gevoeld heb dat die kinderachtigheid achter me lag.

En dat was (dus) een heel domme gedachte. Al zou ik eerst kinderen moeten krijgen om dat te doorzien.

[..]